blogs

                                   

 

   Talenknobbel.

Ik heb geen talenknobbel. Dit tot mijn grote spijt. Toen ik op de basisschool leerde lezen en schrijven, had ik al snel een wens: zoveel mogelijk buitenlandse talen leren. De talen Engels, Duits en Frans stonden bovenaan. Maar wat een desillusie! Ik heb het niet verder weten te brengen dan school engels.

Enkele jaren geleden begon ik vol goede moed om de Engelse taal bij te ‘spijkeren’. Bij duo lingo, gewoon op mijn telefoon. Ik moest en zou het Engels onder de knie krijgen, want ik kon het niet uitstaan dat veel Engelse teksten dat ik onder ogen kreeg, gedeeltelijk of zelfs helemaal niet kon vertalen. Dat kwam mijn eer te na. De tweede reden is dat ik graag buitenlandse vakanties maak samen met mijn man. En dan moet je toch op zijn minst de wereldtaal vloeiend kunnen spreken!  Niet dus. Ik kon stampen wat ik wilde: mijn hersens leken wel een zeef. De meeste woorden sijpelden dan ook door de piepkleine gaatjes de diepte in.

Toen we enkele jaren geleden naar Frankrijk gingen (voor het eerst na vele vakanties in Duitsland, Oostenrijk en ook een paar keer naar Tsjechië) ging ik de weken daarvoor weer stampen: Engelse woorden wel te verstaan. Ik ging ervan uit dat je in Frankrijk ook met Engels terecht kon. Wat Frans betreft kwam ik niet verder dan s’il vois plaît en merci beoucaup, oui en non. Toen we op de camping kwamen waar we een huisje hadden gereserveerd nam ik heel stoer het woord. En ja hoor, het lukte! Ik in mijn beste Engels, de Franse campingbeheerder begreep me. Ja, echt! En ze sprak in keurig, voor mij begrijpelijk Engels. Ik verstond het. Mijn man Eric gaf me een compliment. ‘Je doet het goed!’                                                                                                                                          Ik heb mijn school engels dus toch te laag ingeschat. Ik red me best. Ik red me zelfs goed in het buitenland.

Dat doet me gelijk denken aan die keer dat we in Tjechië op vakantie waren. Van de Franse taal kan ik niets maken, maar van de Tjechische taal helemáál niet. Zo waren we een keer op een leuke locatie bij het water waar je een rondvaart kon maken. Voordat we de boot opgingen, wilden we eerst iets eten. Er stond een leuk eethuisje met loket. Aan de muur naast het loket hing een lijst met gerechten die verkrijgbaar waren. Uiteraard in het Tsjechisch. Waar je ook komt: overal lees je een Engelse vertaling. Bij dat loket niet. Dus goed de oren de kost gegeven. We kwamen er achter dat er veel mensen warme worst bestelden en met een beetje moeite konden we horen hoe het in het Tsjechisch klonk. Wij bestelden allemaal warme worst zodat we wisten wat we te eten kregen. De zoon van onze vrienden waarmee we op vakantie waren, nam een hap. Hij kauwde. Vervolgens werd hij eerst groen, toen rood en toen spierwit. Het vet droop er aan alle kanten uit en hij ging letterlijk over zijn nek. Zover ik weet heeft hij nooit meer worst gegeten. Geen warme, wel te verstaan.

Al die talen in de wereld, waar komen ze vandaan? Dat is ontstaan tijdens de torenbouw van Babel. Te lezen in Genesis 11. De mensen wilden een zo’n hoog mogelijke toren bouwen zodat iedereen vanuit de verte de toren zou herkennen en bij elkaar zouden blijven wonen. God had echter anders gedacht. Hij wilde dat de mensen zich zouden gaan verspreiden over de aarde. Toen kwam de spraakverwarring. De één kon de ander niet meer verstaan. Daardoor was er geen contact meer mogelijk en gingen de mensen uit elkaar.

Uiteindelijk heeft God het laatste Woord!

 

 

   Dierenleed.

Er gebeurt hier in huize Zoeteman altijd wel iets geks. Ik trok mijn keukenla open en staarde naar een muis die heel ontspannen op mijn pak pannenkoekenmix zat. Ik ben niet bang van muizen, maar dit vond ik toch wel een onaangename verrassing. Het beestje bleef gewoon zitten. Ik wist niet beters te doen dan Lady, onze kat erbij zetten. Vervolgens staarde Lady heel ongeïnteresseerd naar de muis en deed niets. Ik: ‘Lady doe iets!’ Maar nee, muis bleef rustig zitten en Lady bleef rustig staren.
Toen kwam Doerak, onze hond erbij. Het is een jachthond en dat liet hij blijken. Hij werd helemaal wild toen hij de muis zag. Met die grote, hijgende hondenkop boven hem, werd het de muis te machtig. De muis sprong in mijn la, tussen de pakken muesli en de hagelslag in. Daarna  met een enorme boog weer uit de la, maakte een sprint over de keukenvloer en kwam in de buurt van de deur. Snel deed ik de deur open. Muis rende naar buiten en Doerak erachter aan. Die vond het een geweldig leuk spelletje. Ik niet. Uiteindelijk kwam de muis in Doeraks bek terecht en aangezien het niet tegen honden tanden bestand was, legde hij snel het loodje. Ik wilde Doerak naar binnen nemen, maar meneer pakte snel de dode muis om er binnen mee verder te spelen. Ik; ‘Doerak los.’ Met moeite liet hij zijn prooi los en eenmaal binnen bleef hij voor de deur mij bedelend aanstaren. Al kon hij zijn ogen nog zo goed op de smeekstand zetten, ik gaf geen haarbreed toe.
Uiteindelijk gaf hij het op en ging met een diepe zucht op zijn kussen liggen. Toen ik daarna bij zat te komen op de bank, hoorde ik in de verte ‘miauw’.
Ik ging kijken, trok de keukenla open en Lady kwam tevoorschijn.
Door alle consternatie had ik haar opgesloten.
Nou ja, ik wist wat ik daarna kon gaan doen… aan de slag met emmer, doek en schoonmaakmiddel.

Later zat ik er nog eens over na te denken. Wreed dat dieren elkaar pijn doen… opeten… Wreed wat er allemaal in de wereld gebeurt. Ik moet denken aan de oorzaak van dit alles. Het is terug te vinden in het Paradijs waar het ooit goed en volmaakt begon. De mens zelf heeft er een dikke streep door gehaald. De zonde was in de wereld gekomen met alle gevolgen van dien. Gelukkig is hier het laatste woord niet over gevallen. Want midden in deze wereld is een kruis gezet. Op Golgotha. Daardoor heeft God opnieuw een weg gebaand naar de volmaaktheid. Er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen, waar alles goed en mooi zal zijn. Geen pijn, geen ziekte of tranen, geen wreedheid.

Hij wil er wél om gevraagd zijn. En hij vraagt geloof. Dat gaat in een weg van zonde en genade. Geloven we dat?

 

 

Telefoon.

Mijn oma had telefoonvrees. Voor de duidelijkheid: mijn oma was geboren in 1910.
Mijn opa ook. Ze hebben grote ontwikkelingen doorgemaakt. Zo hebben ze de eerste auto door de straat zien rijden. Het hele dorp stond op zijn kop.
Een koelkast hadden ze niet. Ze bewaarden alle verse producten in de kelder.
Ze stookten kolen in de kachel. Als kind kon ik gefascineerd toekijken als mijn oma met een pook de bijna gedoofde kooltjes weer nieuw leven inblies, zodat ze weer felrood oplichtten.

Mijn opa en oma waren mensen van hun tijd. In onze ogen dus ouderwets. Ze konden moeilijk mee met de nieuwste ontwikkelingen.
Zo wilde mijn oma geen wasmachine. Ze deed de was in de teil, gebruikte sunlightzeep en had een wasplank.

Nu terug naar de telefoon. Omdat ze ouder werden werd hen aangeraden om telefoon te nemen. Altijd handig als ze iemand dringend nodig hadden.
De telefoon kwam. Het ding werd bekeken met de nodige argwaan. Mijn oma vond het maar niets om met iemand te praten die ze niet kon zien.
Toch moest ze er aan geloven. Op haar verjaardag werd ze door haar broer gebeld. Dat ging zo: ‘Ha Neeltje, met je broer Henk. Gefeliciteerd met je verjaardag.’
‘Ha Henk, dankjewel. Dag.’ Bám… de hoorn werd met een klap terug gelegd. Einde gesprek.
Broer Henk belde meteen terug, omdat hij nog lang niet klaar was met het gesprek.
Oma moest toen wel weer…

Naar de tijd van nu…
Mobieltjes zijn niet meer weg te denken. Bijna iedereen is gefocust op het kleine apparaat in hun handen. Thuis, op school, op het werk en zelfs op straat.
Zo zag ik pas voetgangers voor het rode stoplicht staan met hun ogen vastgezogen aan hun mobiel. Af en toe een snelle blik omhoog om te kijken of het stoplicht niet op groen was gesprongen. Nee? Dan snel weer verder op het kleine venster.
Mobieltjes zijn gevaarlijk in het verkeer. Dat weet iedereen. Het kost je zelfs een flinke boete wanneer je tijdens het rijden aan het bellen bent.
Een verslaving… jazeker.
Wat is belangrijk in het leven? Je mobiel? Of… je Bijbel?
Hoeveel tijd besteden wij aan onze mobiel en hoeveel tijd aan de Bijbel?
Wat is belangrijker? Tijd of eeuwigheid?

Iets om over na te denken…